|
|
![]() |
|
|
|
.. |
The
Suriname / Dutch
Section
> An-Nur
(Suriname's Official Quarterly
Periodical)
> Hadjj Hadjj: De haddj is de bedevaart naar het Huis van Allâh in Mekka te Saudi-Arabië en is verplicht voor elke volwassen Muslim, die daartoe in staat is (Heilige Qurân 3:96). Met "in staat zijn" wordt bedoeld, dat iemand niet wordt belemmerd door gebrek aan financiële middelen, lichamelijke handicaps, levensgevaar (bijv. in tijden van oorlog), enz. Voor mensen die in dergelijke omstandigheden verkeren geldt de plicht tot het volbrengen van de bedevaart niet. Dit is geheel in overeenstemming met het gezegde van Allâh in Qurân 2:185: " Allâh wenst u gemak en Hij wenst u geen ongemak ".
Vermeldenswaard is dat, voordat de Kaaba tot de qiblah van de Muslims werd gemaakt, de tempel te Jeruzalem (Masdjîd al-Aqsa) de qiblah van de Muslims was. De Heilige Profeet Muhammad (s.a.w.) had voor deze qiblah gekozen, omdat deze de qiblah was van de laatste profeet die vóór hem was verschenen, nl. de profeet Jezus. En aangezien de Islâm de waarheid in alle eerdere openbaringen erkent, koos de Profeet Muhammad (s.a.w.) ervoor de tempel te Jeruzalem tot zijn qiblah te maken, totdat aan hem werd geopenbaard de Kaaba te Mekka tot zijn qiblah te maken (Qurân 2:144).
"Allâh er is geen god behalve Hij, de Eeuwiglevende, de Zelfbestaande, door Wie alles bestaat " en het bekende 112:1: "Zeg: Hij, Allâh, is Eén." Zelfs in de tijd vóór de Islâm werd de Kaaba niet aanbeden door de afgodendienaren, hoewel de Arabieren toentertijd zon 360 afgodsbeelden hadden. O.a. op de heuvels Safâ en Marwah waren er afgodsbeelden geplaatst; reden waarom de Muslims ten tijde van de Profeet Muhammad (s.a.w.) er een afkeer van hadden om tijdens de haddj om deze heuvels heen te lopen, totdat Allâh in Qurân 2:158 openbaarde: "Waarlijk, de Safâ en de Marwah zijn onder de tekenen van Allâh; derhalve, wie een bedevaart naar het Huis doet of het bezoekt, op hem rust geen blaam, indien hij om beide heen gaat ". Echter blijkt nergens uit, dat de toenmalige Muslims er een afkeer van hadden de rondgangen om de Kaaba te maken, waaruit we mogen concluderen dat zelfs de afgodendienaren in het Arabië van toen de Kaaba niet aanbaden.Voorts zien we bij vele andere religiën rituelen, waarbij rondgangen om het altaar of om het vuur worden gemaakt. Dit betekent niet, dat het altaar of het vuur door de belijders van die religiën worden aanbeden; zo ook betekent het rondgaan om de Kaaba niet, dat deze wordt aanbeden.
"Waarlijk, het eerste huis voor de mensen bestemd, is dat te Bekka, gezegend en een leiding voor de volkeren." Ook geschiedkundige verslagen kennen aan de Kaaba een zeer hoge ouderdom toe. In verschillende literatuur wordt vermeld, dat de funderingen van de Kaaba door de Profeet Adam zijn gelegd.
"En verkondig de bedevaart onder de mensen; zij zullen te voet en op iedere slanke kameel, komende van elk verafgelegen pad, tot u komen."
![]() De haddj werd dus reeds ten tijde van de profeet Abraham ingesteld. Heden ten dage zien we overduidelijk deze voorspelling van Allâh, die ongetwijfeld millennia geleden is gedaan, uitkomen. Vanuit alle uithoeken van de wereld trekken bedevaartgangers in de Islamitische maand Zul Hiddja naar Mekka om hun haddj te volbrengen; tegenwoordig bijna 2 miljoen pelgrims per jaar; ieder jaar weer het grootste aantal mensen op de wereld bij elkaar.
De tawâf (7 rondgangen om de Kaaba) wordt verricht, waarna de bron Zamzam wordt bezocht, gevolgd door de sâi, dat is het heen en weer lopen tussen de heuvels Safâ en Marwah (Qurân 2:158) ter herdenking aan Hagar, echtgenote van de profeet Abraham, die op zoek was naar water voor haar zoon Ismaël. Na deze rituelen vertrekt men naar Minâ. 9e Zul Hiddja (de 2e dag): Vertoeven te Arafât (wuquf);
vrijwel het belangrijkste onderdeel van de haddj, want de
Profeet Muhammad (s.a.w.) heeft gezegd: "De haddj is
Arafât." Te Arafât verblijft men vanaf Zuhr t/m
Maghrîb, waarna men naar Al Muzdalifah vertrekt,
alwaar de nacht wordt doorgebracht. Op deze plek,
Arafât, sprak de Profeet Muhammad (s.a.w.) zijn
welbekende afscheidsrede uit (zie apart artikel). 10e Zul Hiddja (3e dag), tevens de dag van Îd-al-Adhâ: De Djamarah al-Aqabah wordt bezocht, waar symbolisch de duivel wordt gestenigd, gevolgd door het offeren van een dier en het afscheren of kortknippen van het haar. Vervolgens worden de tawâf al-ifâdah (2e tawâfronde) en de Sâi (zie eerder) verricht. De nacht wordt doorgebracht te Minâ. Op deze dag viert dus de gehele wereld de Îd-al-Adhâ (het offerfeest), samen met de pelgrims. 11 & 12 Zul Hiddja (4e en 5e dag): Bij alle 3 djamarahs wordt nu symbolisch de duivel gestenigd. Hierna kan de pelgrim naar Mekka vertrekken, of ook de 13de dag in Minâ verblijven en steentjes werpen naar de djamarahs. Voor degenen die dat nog niet hebben gedaan: hierna vertrekken naar Mekka voor de tawâf al-ifâdah (de 2e tawâfronde) en de sâi. Alvorens naar huis te vertrekken dient de tawâf al-wida' (afscheidstawâf: 3e tawâfronde) te worden verricht. NB: De dagen van het verblijf te Minâ zijn de dagen waarop het offerdier alsnog kan worden geslacht, indien dat op de Îd-dag na de salât nog niet is gebeurd. Als rituelen die reeds in de tijd van de profeet Abraham werden gedaan vermeldt de Qurân de sâi en het offeren.
Ook is het jammer dat er Muslimgroeperingen zijn, die weigeren hun salât (verplicht gebed) achter de voorgangers van Mekka te verrichten, omdat ook dezen als ongelovigen worden bestempeld. Dit ondanks het feit dat Allâh in Qurân 4:94 vermeldt: "En zeg niet tot een ieder, die u vrede aanbiedt (dus de Muslimgroet: assalâmu alaikum, d.w.z. vrede zij met u, hanteert): u bent geen gelovige". En ondanks het gezegde van de Profeet Muhammad (s.a.w.): "noem de volgers van uw Qiblah geen ongelovigen." En ondanks de waarschuwing van Allâh in Qurân 22:25 aan degenen die anderen weerhouden van het vervullen van hun plichten: "Waarlijk, (aangaande) degenen die niet geloven en (de mensen) afhouden van de weg Gods en van de Heilige Moskee en wie daarin onrechtvaardig tot onrecht neigt, hem zullen Wij een pijnlijke kastijding doen smaken." En ondanks het feit dat de Islâm zo tolerant is, dat zij het Paradijs niet alleen voor de Muslims bestemt, maar voor een ieder die gelooft en goede werken verricht (zie volgende alinea).
"Waarlijk, degenen die geloven en degenen die Joden zijn, en de Christenen en de Sabiërs al wie in Allâh en in de jongste dag geloven en goed doen, zij zullen hun beloning bij hun Heer hebben en er is geen vrees voor hen, noch zullen zij treuren". Uit: SIV-kwartaalblad An Nûr, editie maart 2000
|
|||
|
|